Antoon Stapelkamp (1886-1960)

Voorziter van het CNV van 1935 tot 1941 en van 1945 tot 1947

Antoon StapelkampAntoon StapelkampStapelkamp groeide op in een gereformeerd gezin in het Achterhoekse Aalten. Als twaalfjarige trad hij in dienst bij de lokale knopen- en kammenfabriek. Twee jaar later meldde hij zich aan als bondslid. Na een periode als actief lid en bestuurder van de Nederlandsche Bond van Christelijke Fabrieks- en Transportarbeiders werd hij in 1931 lid van het CNV bestuur waar hij in 1935 voorzitter werd. Hij probeerde een eigen CNV-koers uit te zetten en invloed uit te oefenen op het kabinetsbeleid, waarin bezuinigingen centraal stonden. Hij deelde weliswaar de hoofdlijn van het beleid van de kabinetten-Colijn, maar was het zelden eens met de concrete maatregelen.

In de bezettingsjaren ontwikkelde Stapelkamp zich tot een krachtig voorzitter. Door hem aangevoerd volgde het CNV in het eerste jaar van de bezetting een koers van ontwijkende aanpassing, waarbij contact met de bezetter beperkt werd tot het onvermijdelijke en structurele hervormingen werden afgewezen. Onder Stapelkamps leiding wees het CNV het streven naar meer eenheid in de vakbeweging af. In november 1940 accepteerde Stapelkamp een uitnodiging van het Deutsche Arbeitsfront om een oriëntatiereis naar Duitsland te maken. Dit werd hem nog lang verweten.

Op 30 juni 1941 werd Stapelkamp met circa negentig andere bekende antirevolutionairen gearresteerd. Samen met onder meer H. Amelink verbleef hij tot december 1942 achtereenvolgens in de kampen Schoorl, Buchenwald, Haaren en St. Michielsgestel. Hierdoor maakte hij de liquidatie van de confessionele vakbeweging door de bezetter niet persoonlijk mee. Na vrijlating was Stapelkamp aanjager van de ondergrondse 'Binnen-contactgroep'. Ook herstelde hij de contacten met vertegenwoordigers van de andere werknemers- en werkgeversorganisaties. Begin 1943 stelden de drie voormalige vakcentrales het 'Reglement van samenwerking' op. Deze samenwerking mondde na de bevrijding uit in de Raad van Vakcentralen en de Stichting van de Arbeid.

Na de oorlog werd hij opnieuw voorzitter van het CNV tot zijn aftreden in 1947. Dit was tegen de zin van een groeiende oppositie onder leiding van M. Ruppert, de jonge en dynamische voorzitter van de landarbeidersbond, met wie al tijdens de bezetting de verstandhouding danig was verslechterd. Ruppert wilde het CNV bevrijden van het vooroorlogse gereformeerd-antirevolutionaire imago, waarvan hij Stapelkamp als een exponent zag.